Interview met Agnes van Minnen

We zijn heel blij met Agnes van Minnen als een van de keynotesprekers op ons het congres “Een Friese wind door jeugdzorg”.  Onze redactie ging zoomen met Agnes om meer te weten te komen over haar lezing en over haarzelf. Klik hier voor meer informatie over de bijdragen van Agnes aan ons congres.

Agnes jij bent directeur behandelprogramma bij PSYTREC, een gespecialiseerde GGZ instelling voor mensen met (complexe) PTSS. Heb jij een persoonlijke affiniteit met jeugdzorg of meer met de gespecialiseerde geestelijke gezondheid voor volwassenen zoals bij PSYTREC?

Ik werk vooral met volwassenen maar ik ben ook wel betrokken bij behandelingen en voorlichtingsprojecten van jongeren en dan met name adolescenten in de leeftijd van 12-18 jaar. Dit gaat dan vaak over traumaverwerking en daarin werken we dan samen met de ouders en de jongeren. Bij PSYTREC is dat heel af en toe, maar op mijn vorige werkplek deed ik dit meer.

Op dit moment werk ik samen met Karakter, een grote jeugdinstelling. We hebben een subsidie gekregen om samen met Slachtofferhulp mijn boek ‘Verlamd van angst’ toegankelijker te maken voor jongeren. In dat boek leg ik uit hoe je kunt reageren tijdens seksueel geweld en probeer ik schuld- en schaamtegevoelens die slachtoffers vaak hebben hierover weg te nemen.

We hebben gekozen voor een andere vorm met animaties, podcasts en een website die in de maak is zodat voorbeelden uit mijn boek veel meer en persoonlijk op de jongere doelgroep wordt toegesneden. Zo kunnen jongeren ook de informatie uit het boek krijgen.

Interessant, is dit bedoeld als voorlichting of als een lespakket?

Het is echt bedoeld als voorlichting. We hebben het idee, en horen dit ook vaak bij jongeren terug, dat ze zich vaak schamen voor de dingen die ze hebben gedaan, of juist niet hebben gedaan.  Bijvoorbeeld bij fysiek of seksueel misbruik. Ze vertellen dit ook niet zo makkelijk tijdens de traumabehandeling. Dat is ook heel logisch als je denkt ‘dit is heel raar, dat ga ik maar niet vertellen’. Wij hopen dat als we jongeren die voorlichting van tevoren wel geven ze dan eerder denken dat het niet aan hen ligt. Dat ze beseffen dat het heel vaak voorkomt en ze niet de enige zijn die dit meemaken. En ze het wél aan de hulpverlener gaan vertellen.

Heb jij wel eens te maken gehad met iets in de jeugdzorg dat jou persoonlijk raakte? Wat zou er volgens jou anders moeten?

Wat mij heel erg raakte is het werken met de jongeren. Dat ze bijvoorbeeld al 4 jaar in zorg waren en dat niemand had gevraagd: “Heb jij misschien iets naars meegemaakt?”. Dat vond ik zo triest, want dat betekent dat ze al vier jaar hulp kregen wat helemaal niet hielp. Sommige kinderen gingen niet eens meer naar school omdat ze dat niet durfden. Of omdat het gewoon niet lukte. Dat vind ik best wel heftig want ze hadden geen vrienden meer, geen de sociaal contact meer. Ze stonden in hun ontwikkeling helemaal stil en daar schrok ik van. Dat het zo kon gaan in Nederland.

Toen wij eenmaal gingen vragen naar trauma konden we de PTSS heel snel behandelen waardoor hun hele wereld eigenlijk weer open ging en ze weer verder konden met hun leven. Dat heeft mij diep geraakt, dat niemand aan ze had gevraagd of ze wat mee hadden gemaakt. Dat het zo simpel kan zijn en dat dat dan toch niet gebeurd!

Dit is waarvoor de website www.rakevragen.nu is bedacht. Hier worden aan kinderen uitgelegd wat ze kunnen doen als ze een schokkende gebeurtenis hebben meegemaakt. Rake Vragen helpt hulpverleners bij het stellen van de juiste bij (vermoedelijke) trauma’s en de mogelijke gevolgen.

In je lezing ga je spreken over zorgverlamming. Kun je vertellen hoe Tonic Immobility er uit ziet bij een zorgverlener? Is dit ook een fysieke reactie of meer het niet weten wat ze met een complexe casus aan moeten?

Het is dan niet zo zeer de fysieke verlamming zoals je bij een verkrachting bijvoorbeeld ziet. Het is meer het gevoel in een lastige situatie waarin er veel dreiging is vanuit een complexe situatie. Bijvoorbeeld als een cliënt heel suïcidaal is, dit is een dreiging waar hulpverleners vaak angstig van worden. De hulpverlener denkt “Oh jee, als de cliënt maar geen suïcide pleegt” en wordt vanuit dat gevoel zelf bang, wat zich kan vertalen in een reactie  waarbij de hulpverlener dan maar niks doet. In plaats dat er iets concreets gedaan wordt om die persoon te helpen gebeurt er niks. Dan schuiven hulpverleners de casus het liefste van zich af zodat ze er niks mee hoeven te doen.

Wat je dan vaak ziet gebeuren is dat er tegen de cliënt gezegd wordt “Dit gaat mij boven de pet, het is te gevaarlijk of te complex of wat dan ook, ik draag je daarom over naar een volgende partij”. Dan is de hulpverlener van de verantwoordelijkheid af en wordt de complexe patiënt doorgeschoven, zonder een concreet plan. De cliënt die al vrij hopeloos is moet dan weer naar een nieuwe hulpverlener en begint daar weer helemaal opnieuw. Ondertussen gebeurt er eigenlijk niet wat er moet gebeuren: namelijk dat je een goede interventie doet. Dit is hoe zorgverlamming er uit kan zien in de zorg.

Komt zorgverlamming bij de hulpverlener alleen voor bij zeer complexe en dreigende casussen of ook bij minder zware casuïstiek?

Ik denk toch vooral als iets bedreigend is. Dat hoeft niet perse alleen de dood te zijn zoals bij suïcide, maar het kan ook zijn dat de hulpverlener bang is dat de ouders misschien onveilig zijn voor het kind. Ook in die zin is het een bedreigende situatie en kan men uit angst gaan denken “hier wil ik niet verantwoordelijk voor zijn, straks gebeurt er toch iets bij het kind omdat ik iets over het hoofd heb gezien bij de ouders”. Dus wordt de casus overgedragen aan Veilig Thuis of zoiets.

Of er wordt gedacht “deze patiënt heeft zoveel problemen” waardoor een hulpverlener niet weet waar te beginnen en dit van zich afschuift. Zo kunnen er op verschillende vlakken dreigingen zijn waar hulpverleners last van hebben en angstig van worden.

Wat zou een hulpverlener dan het beste kunnen doen in plaats van overdragen, collega’s er bij betrekken?

Je kunt natuurlijk collega’s er bij betrekken om de verantwoordelijkheid te delen. Maar in feite doe je dat dan vooral voor jezelf. Hoe meer mensen er bij betrokken zijn hoe langer het vaak weer duurt want als je met een collega wilt overleggen is die net weer op vakantie en dan duurt het weer een week langer. Al die tijd laat je de cliënt eigenlijk bungelen.

Een van mijn tips is dat al die betrokken hulpverleners in hun kracht worden gezet. De vraag wordt gesteld: “Waar heb jij nou verstand van?” Blijf bij jouw kracht en doe vanuit jouw expertise in ieder geval iets waar de cliënt iets aan heeft. Maak een plan, dit kan ook een klein plan zijn, maar maak een plan! Stel jezelf de vraag: “Wat ga ik met die cliënt doen? Zodat ik vanuit mijn kracht als hulpverlener en mijn kennis iets kan bijdragen aan het welbevinden van deze patiënt”. Dat kan iets groots zijn maar ook iets heel kleins.

Een voorbeeld: er wordt heel veel afgewacht. Je kunt ook in plaats van afwachten tot het grote overleg, bij jezelf zeggen ik ga wél iets doen. Ondertussen tot het overleg zie je namelijk wel je cliënt om een vinger aan de pols te houden. Stel het overleg is over vier weken. In plaats van alleen te kijken hoe het met de cliënt gaat die vier keer dat je de cliënt ziet, zou je bijvoorbeeld ook kunnen zeggen: deze cliënt is best wel vaak gespannen, laten we eens kijken of we in die vier keer wat ontspanningsoefeningen kunnen doen. Dan heb je een kleiner doel waardoor je toch een interventie doet waar de cliënt wellicht iets aan heeft in plaats van alleen maar steeds te kijken ‘hoe gaat het nu’ en ‘ja we wachten even af tot het overleg tot we verder iets kunnen plannen’.

Is dit gangbaar?

Dit gebeurt heel veel. Je bent als cliënt in de GGZ eigenlijk de grootste tijd aan het wachten en dan gebeurt er niks. Dat is heel gek, want het zijn vaak de meest complexe patiënten die doorgeschoven worden die juist heel veel zorg nodig hebben. Iedereen maakt zich daar zorgen over om en uiteindelijk staan we er met zijn allen naar te kijken als hulpverleners. Niemand doet iets en iedereen wacht maar af tot er een plan komt. Wachten tot er overleg is met die andere partij en dan zien we wel weer verder. Ondertussen gebeurt er dan dus niks.

Dat klinkt alsof het systeem niet goed aansluit: een cliënt met moeilijke casuïstiek komt dan bij een hulpverlener/organisatie die niet de kracht heeft om effectief te behandelen. Hoe zou dat verbeterd kunnen worden volgens jou?

Dat is een hele goede vraag. Ik denk dat iedereen hiermee worstelt en heel veel mensen wel inzien dat de zorg op dit moment niet goed loopt. Dat er heel veel problemen in zitten maar er ook heel veel plannen zijn om dat te veranderen. Ik denk niet dat er op dit moment echt dé gouden oplossing is en kan dus niet 1-2-3 een oplossing geven die helemaal dekkend is.

Ik wil eigenlijk proberen de boodschap te geven: blijf ook daar niet in hangen, van ‘het systeem klopt niet’, ‘moeten we daar weer op wachten’, ‘wat een klote systeem’ of zo. Je bent als zorgverlener onderdeel van het zorgsysteem en kunt niet zelf dat hele systeem veranderen.

Want voordat problemen in het systeem zijn opgelost zijn we jaren verder en het ligt vaak ook buiten jouw macht. Het ligt bij de politiek, waar zit het geld en wie kan doorverwijzen, noem maar op. Ik denk dat elke hulpverlener ziet dat het niet functioneert en ook iedere hulpverlener ergert zich er aan. Te vaak wordt dat nu als excuus gebruikt als in “de zorg is nu eenmaal zo georganiseerd”. Terwijl ik denk, dat kan zo zijn en dat kan ook frustrerend zijn en je kunt er misschien ‘niks’ aan doen.

Maar er zijn ook mogelijkheden die jij wel kunt doen voor de cliënt, binnen dat slecht functionerend systeem! Er zijn wel degelijk dingen die jij vanuit jouw kracht kunt doen, doe dat dan ook!

Bij PSYTREC behandelen jullie in hele korte tijd met een totaal programma. Zou een sneller en breder traject inzetten, eventueel intern, helpen voor met name cliënten die al jaren in de GGZ rondlopen?

Ik denk dat dit soort programma’s wel voor meerdere problemen ingezet kan worden, zeker bij het werken met jongeren. Wat wij vaak bij PSYTREC zien, dat is heel frustrerend, zijn bijvoorbeeld mensen in de vijftig en die zitten al dertig jaar in de problemen. Door die problemen hebben ze niet kunnen studeren, niet kunnen werken, hebben ze problemen met hun familie, geen relatie, zijn eenzaam en noem maar op. Dat raakt mij want dan denk ik: wat was er nou gebeurd met deze persoon als we die hadden kunnen behandelen toen diegene bijvoorbeeld twaalf was?

Dat is dus ook waarom het jongerenproject mij heel erg aanspreekt. We hebben ze in dit project in een week behandeld en zagen bij het volgen nadien dat ze weer naar school gingen, vrienden maakten, een relatie kregen, weer konden vrijen met hun partner. Ze gingen weer uit, zagen hun vrienden en vriendinnen weer en pakten hun normale ontwikkelingstaken weer op.  Toen merkte ik dat we iets heel essentieels hadden gedaan: deze jongeren waren weer op de rails van het gewone leven gezet. Ik denk dat we bij volwassenen ook veel meer aan die kant moeten zitten: zo snel mogelijk kijken wat is er aan de hand en ook zo snel mogelijk behandelen.

Maar, ik moet tegelijkertijd zeggen dat alhoewel ik vind dat we bij PSYTREC een heel mooi programma hebben, we nog steeds met het probleem zitten dat mensen na PSYTREC wel klaar zijn met hun PTSS maar misschien nog wel een depressie hebben. En dan zijn wij toch ook weer afhankelijk van de vervolgzorg.

Je wilt dan graag dat de cliënt snel wordt gezien om bijvoorbeeld die depressie op te pakken maar dan staat iemand weer vier maanden op de wachtlijst. Of de hulpverlener zegt “Deze cliënt willen we niet want die is nog steeds suïcidaal”. En dan loopt het daar wéér vast. Dat is voor de cliënt natuurlijk ook heel frustrerend. Die heeft dan het idee om eindelijk een doorbraak te hebben en kan nu beter werken aan de depressie, of verslaving of wat dan ook. Maar loopt weer op tegen die muur van de wachtrijen in de GGZ.

Het loopt dus niet vloeibaar genoeg in elkaar over?

Nee. Kort en intensief is een hele mooie behandelmodule denk ik, maar het lost het echte probleem in de zorg niet op.

Zijn er ook kenmerken herkenbaar bij een zorgverlener voordat de zorgverlamming optreedt waarmee het eerder te herkennen is bij zichzelf of bij een collega?

Ik denk dat je het kunt merken aan dat je met een bepaalde cliënt in je maag zit. Dat je daar zorgen over maakt en er tegen op ziet om die cliënt te zien omdat je eigenlijk denkt: ik weet niet goed wat ik er mee aan moet. Of het te spannend of te complex vindt voor jezelf en daaraan kun je zien dat je het wilt vermijden. Bij angst ga je altijd vermijden. Dus ik denk dat als je aan jezelf merkt dat je bepaalde telefoontjes vermijdt of uitstelt, afspraken vermijdt en dergelijke  je daaraan wel kunt merken dat er iets gaande is.

Dan zou er dus al een alarmbelletje moeten gaan rinkelen?

Ja precies, je merkt dan al bij jezelf dat je in een vermijdende coping zit.

Wil je ons ook iets over jezelf vertellen wat we nog niet weten?

Ik houd van flamenco dansen! Op het ‘Een Friese wind door jeugdzorg-congres’ geef ik ‘s middags een workshop samen met mijn dochter.

Wat wil je onze congresbezoeker vooral meegeven?

Ga gewoon iets doen, ga echt iets doen. Niet afwachten, niet overleggen, niet mensen samenbrengen maar ga iets doen! In de workshop ga ik dieper op dit thema in, en dat doe ik samen met mijn dochter. Vanuit onze persoonlijke ervaringen met de jeugd- en GGZ-zorg hebben we ook heel veel gewacht op goede zorg en behandeling. Vanuit die ervaring willen we mensen aan het denken zetten en tips geven hoe het anders kan.

Meer lezen over de KEYNOTE van Agnes van minnen klik hier.

Share

Interview met Agnes van Minnen